Duet 1:
Twee zangers kijken elkaar aan.
A zingt zijn strofe van vier regels.
B zingt zijn strofe van vier regels.
Ondertussen zingt A de zijne nog eens voor zichzelf,
daarna zingen beiden hun eigen strofe naar het publiek.
Duet 2:
Als duet 1, alleen moet B de vierde regel van A ook in zijn strofe integreren; bij het daaropvolgende gezamenlijke zingen zingen beiden op het eind dezelfde regel en herhalen deze daarna nog één keer.
Duet 3:
Als duet 2, maar na de twee strofes volgt een tussensequentie over het thema, gezongen door een zanger C.
Daarna zingen A en B elk hun strofe; de laatste regel is weer hetzelfde en wordt gezamenlijk gezongen en nogmaals herhaald.
Duet 4:
Als duet 3, alleen wordt de tussensequentie door de twee zangers A en B gezamenlijk gezongen, en wel als volgt:
A: zijn strofe — zanger B moet de vierde regel onthouden.
B: zijn strofe met de vierde regel van A.
gezamenlijke strofe:
B: regel 1
A: regel 2 met rijm op regel 1
A: regel 3
B: regel 4 met rijm op regel 3
Daarna zingt ieder zijn strofe, waarbij de laatste regel weer hetzelfde is en tweemaal wordt gezongen.
Duet 5:
Als duet 4, alleen zingen beiden de tussensequentie gezamenlijk, dat wil zeggen lipsynchroon; daarbij moet bij voorkeur een eenvoudige tekst worden genomen, eventueel met herhaling.
Gevolgd door de twee afzonderlijke strofes, die ieder voor zich zingt, naar het publiek gericht; de laatste regel is weer hetzelfde en wordt gezamenlijk en tweemaal gezongen.