Bij dit spel zijn vier personen betrokken.
Speler A en B spelen een willekeurige scène. Na enige tijd, meestal wanneer er een beat is bereikt, is de scène afgelopen. Eén van beiden — A — verlaat nu gemotiveerd het speelvlak. Speler B heeft nu een soloscène. Hij houdt een (innerlijke) monoloog over een thema dat hem als personage raakt of bezighoudt. Dat zou slechts indirect iets met de voorgaande scène te maken moeten hebben, het gaat er vooral om een verdere facet van het getoonde personage te leren kennen. Wanneer B zijn soloscène heeft afgesloten, komt C op het podium. Nu spelen C en B een scène, die op zijn beurt (direct) niets met de voorgaande twee scènes te maken heeft. B blijft echter als personage behouden. Na enige tijd is ook deze twee-scène afgelopen. Nu verlaat B (gemotiveerd) het speelvlak en heeft personage C haar/zijn soloscène, die wederom slechts indirect iets met de voorgaande scènes te maken heeft. Daarna spelen C en D, dan speelt D zijn solo. Uiteindelijk komt A en speelt met D, de reeks scènes eindigt met een solo van A.
Het gaat hier niet (of minder) om een samenhangend verhaal te vertellen, maar om de getoonde personages te ontwikkelen. Want in de drie scènes die elk personage speelt, kan steeds een nieuwe facet van de getoonde persoonlijkheid getoond worden.
Schema
A en B
B
B en C
C
C en D
D
D en A
A
Zie ook Personagerondedans