Voor deze oefening heb je drie verschillend gekleurde kleine ballen nodig.
De spelers lopen kriskras door de ruimte. Drie van hen hebben een bal in hun hand en geven die op een bepaald moment door aan een andere speler. Afhankelijk van de kleur van de bal gebeurt bij de overdracht het volgende: bij de eerste bal bevriezen de spelers een paar seconden in hun beweging en kijken ze elkaar aan. De tweede bal wordt naar een andere speler gegooid en door die speler gevangen; voorwaarde hiervoor is eerst oogcontact. Wordt de derde bal doorgegeven, dan blijven de twee betrokken spelers staan. Degene die de bal geeft noemt een willekeurig trefwoord. Daarop moet de andere speler een waargebeurd verhaal uit zijn leven vertellen dat iets met dat trefwoord te maken heeft.
De ballen worden telkens meerdere keren doorgegeven.
In een volgende ronde hebben alle drie de ballen de functie van de derde bal; iedereen die een bal ontvangt vertelt dan een kort biografisch verhaal.