Drie spelers gaan in een rij staan. Ze laten het publiek drie zo verschillend mogelijke onderwerpen geven. In de eerste ronde — de startronde — begint de eerste speler met bijpassende gebaren en houding te telefoneren met een denkbeeldig iemand. Na een paar zinnen, waarin hij het onderwerp introduceert en de denkbeeldige gesprekspartner "neerzet", begint de tweede speler zijn telefoongesprek, ook met passende gebaren en houding. Na nog een paar zinnen volgt de derde speler. Wanneer alle drie hun gesprek hebben "geïntroduceerd", maakt de derde speler een korte spreekpauze. Een van de andere twee spelers kan dat moment aangrijpen om met precies dat laatste woord zijn eigen telefoongesprek voort te zetten. Reageren de andere twee niet, dan praat de vorige speler gewoon verder. De hoofdregel na de startronde is: gebruik altijd het laatste woord van de vorige speler als eerste woord van je eigen voortgezette telefoongesprek. De volgorde van de wissels is vrij. Hele korte pauzes in de spraakstroom geven aan dat de anderen nu kunnen invallen.
Tips en opmerkingen
- In de eerste ronde geldt de regel "laatste woord overnemen" nog niet.
- De wissels mogen niet te lang duren, anders wordt het saai.
- De actieve speler moet zich de zinnen van zijn denkbeeldige gesprekspartner voorstellen terwijl hij — zelf stil — naar hem "luistert". Dat maakt het telefoongesprek geloofwaardiger en authentieker.
- De uitnodigende pauzes kunnen ook de momenten zijn waarop de denkbeeldige gesprekspartner "aan het woord is".