Aan deze oefening doen twee spelers mee. De een loopt voorop, de ander volgt. Telkens weer blijft de voorste speler stil staan (waarna de volger dat natuurlijk ook doet) en neemt een vaste positie aan waarbij hij een van zijn handpalmen in een willekeurige (maar bereikbare) positie en op een willekeurige hoogte plaatst. Tegelijkertijd noemt hij een concreet zichtbaar lichaamsdeel van de ander, bijvoorbeeld de linkerwenkbrauw, de schouders (eventueel met beide handpalmen), de neuspunt, de rechtervoorvoet, enzovoort, waarmee deze de gepresenteerde handpalm moet aanraken. Is dat gelukt — wat soms best wat kronkelen en inspanning vergt — dan lopen beide weer een stukje achter elkaar. Vervolgens begint het opnieuw, maar met een andere handhouding en -hoogte en een ander lichaamsdeel.