Deze oefening dient voor lichaamsbewustzijn en als voorbereiding op (eenvoudig) personagewerk.
De spelers lopen door de ruimte (ruimtewandeling). De spelleider geeft een lichaamsdeel op, bijv. "bekken", "linkerschouder", "voorhoofd", "rechterknie" of "buik", dat tijdens het lopen de leiding overneemt. De spelers proberen de aanwijzing om te zetten door een bepaalde manier van lopen of bewegen te ontwikkelen waarbij het opgegeven lichaamsdeel leidt. Vervolgens noemt de spelleider een ander lichaamsdeel dat de leiding moet overnemen, enzovoort.
Er zijn verschillende manieren om verder te gaan:
- Wij stellen onszelf — of de oefeningsleider stelt — vragen als: "Wie zou zo kunnen lopen?" of "In welke situaties loop ik zo?"
- De spelers ontwikkelen vanuit deze loop een personage, dat wil zeggen: ze bedenken hoe iemand die zo loopt zou zijn (status, taal, beroep enz.).
- De spelers onthouden de verschillende personages die ze tijdens de ruimtewandeling hebben ontwikkeld; achteraf kunnen kleine scènes met die personages worden gespeeld.
- Telkens wanneer we door een nieuw lichaamsdeel worden geleid, observeren we onze gevoelens en andere gedragingen (bijv. sneller lopen, veranderde lichaamshouding, veranderde bewegingen). Na de oefening kunnen we praten over indrukken en inzichten.
Zie ook: Bewegingsimpuls door aanraking