Twee spelers (A en B) zetten een scène op. A vertelt over een persoon en definieert die in houding, spraak, en ook de situatie waarin hij met deze persoon te maken heeft gehad. Is die derde persoon voldoende gedefinieerd, dan neemt speler B het personage van deze derde persoon over in de situatie die eerder door speler A is beschreven.
Nu vertelt speler B over een andere persoon, definieert personage en situatie. Vervolgens kruipt speler A in de rol van dat personage.
Dit wisselspel tussen speler A en speler B gaat door tot de spelers weer terugkeren naar de eerste twee figuren.
Het is belangrijk om de personen bij de beschrijving opvallende kenmerken te geven, zodat er een zo sterk mogelijke wissel tussen de afzonderlijke deelscènes ontstaat.