Er worden paren gevormd die tegenover elkaar staan. Eén van beiden maakt langzame bewegingen, die de ander (als een spiegel) nadoet. De eerste speler is dus de persoon vóór de spiegel, de andere speler is de spiegel. Na een tijdje wordt er gewisseld.
Later kun je proberen deze duidelijke rollen op te heffen. Iedereen is spiegel en iedereen staat voor de spiegel. Benut daarbij de hele ruimte. Benut daarbij ook alle niveaus: zitten, staan, liggen.
Variant
De spelers kunnen ook contact maken, dat wil zeggen: de spiegel wordt aangeraakt. Zo kunnen de spelers bijvoorbeeld de handpalmen tegen elkaar leggen. Maar ze kunnen elkaar ook ergens anders aanraken.
Variant 2
Een derde speler roept het spiegelbeeld woorden toe, waarop dat moet associëren zonder de taak van het spiegelbeeld te vergeten. Zie "Multitasking".
Tegenspiegel
Probeer precies het tegenovergestelde te doen van wat je in de spiegel ziet. Staat de één, dan gaat de ander misschien zitten. Poetst de één zijn tanden, dan eet de ander misschien een appel. Het tegenovergestelde van een actie kan heel verschillend worden geïnterpreteerd.
Spiegelverhaal
Gebruik bij deze spiegeloefening de hele ruimte. Beweeg jezelf erdoorheen en misschien ontstaat er een klein verhaal. Hier zouden beide spelers weer tegelijk spiegel en gespiegelde moeten zijn.