Bij deze oefening vindt de dialoog van de spelers alleen in vraagvorm plaats. Elke zin die door de spelers wordt gebruikt, moet als vraag worden geformuleerd. Dat gaat weliswaar in tegen de improvisatieregel om (zo mogelijk) geen vragen te stellen, maar toch moet in deze oefening met vragen een verhaal worden opgebouwd. Om dit te laten werken, moeten de vragen zo zijn opgebouwd dat ze een nieuwe informatie aan het verhaal toevoegen. Het beste is dat de vraag al bestaande informatie uitbreidt. Belangrijk is ook dat de spelers bij hun vragen alle eerder gegeven informatie accepteren en erop letten dat er geen tegenstrijdigheden ontstaan.
Voorbeeld:
A: Schat, zullen we vanavond naar de bioscoop gaan?
B: Is er in Westerland eigenlijk nog wel een bioscoop?
A: Sieglinde, zal ik even beneden bij de receptie bellen en informeren naar een bioscoop en het filmprogramma?
B: Ben je zo lief, Heinrich?
A: Maar denk je dat je ondanks je reuma in staat bent om enkele meters naar de bioscoop te lopen?
enzovoort.
Deze oefening kun je goed als "sterf"-scène spelen. Maakt een speler een fout en stelt geen vraag, dan roept het publiek "Sterf!" en wordt de speler vervangen door een nieuwe speler.
De spelers moeten er niet te erg op letten om geen fouten te maken. Het is leuker om wat met tempo te spelen, het risico te verhogen en dan eventueel vanwege een foutje vervangen te worden. Niets is saaier dan iemand die absoluut geen fouten wil maken.