Twee spelers doen mee. Eén heeft een stevige stand en sluit zijn ogen. De spelleider schetst hem nu het beeld van een waterplant, stevig geworteld in de bodem, die langzaam en duurzaam reageert op aanrakingen. De betreffende speler mag zich daarbij ook iets voorstellen, bijvoorbeeld wat voor soort water (zee, rivier), de kleur en vorm van de bloem, de steel, enzovoort. Wanneer de "waterplant" het beeld heeft verinnerlijkt, begint de andere speler de waterplant steeds weer op willekeurige en wisselende plekken aan te tikken of (zachtjes) aan te duwen. De "waterplant" geeft dan zacht mee; de speler = waterplant beweegt zoals hij zich de beweging van een waterplant voorstelt die zo is aangeraakt. Dus een langzame beweging in de richting van de impuls — alleen het lichaamsdeel of misschien zelfs het hele lichaam — langzaam terugzwaaien en misschien nog een paar keer licht heen en weer pendelen. De tendens is altijd naar boven (opwaartse druk): de bloem (het hoofd) streeft na een aanraking weer naar boven en naar de rust, tot aan de volgende aanraking.