Er wordt door twee tot drie spelers een willekeurige scène gespeeld, met of zonder suggestie van het publiek.
Daarbij zegt iedereen om de beurt steeds maar één woord, waardoor ze samen een verhaal opbouwen.
Varianten:
Eén speler mag altijd maar één woord zeggen, de tweede speler zegt alleen twee-woord-zinnen en de derde speler spreekt alleen in drie-woord-zinnen.
Eén speler coördineert en vier anderen spinnen een verhaal.
Het is het handigst om hierbij het publiek om een thema te vragen.
Vervolgens wijst de coördinator telkens de persoon aan die aan de beurt is.
Elke persoon zegt altijd maar één woord, behalve wanneer de coördinator meerdere keren achter elkaar (tot 3 keer) naar die persoon wijst. Daardoor is er nooit een duidelijke volgorde, wat het geheel nog wat uitdagender maakt.
Als iemand te lang nodig heeft om een woord te vinden, kan het publiek beslissen om hem door iemand anders te vervangen.
Je kunt het spel ook uitbreiden door alle leestekens mee uit te spreken en ze als één woord te laten meetellen.
Klinkt als tekst erg stroef, maar is in de uitvoering bijzonder vermakelijk.