Alle spelers vormen een kring. Iemand in de kring zegt een woord tegen zijn buurman. Die associeert op dat woord een nieuw woord en zegt het tegen de volgende speler, enzovoort.
Het is daarbij niet de bedoeling om vooral originele associaties te bedenken. De grondregel luidt: er bestaat geen "foute" associatie. Zo schakel je de "censuur in je hoofd" uit. Ook het herhalen van eerder genoemde woorden is toegestaan.
Belangrijk is dat de groep een gemeenschappelijk ritme vindt en dat er een bepaalde stroom van begrippen ontstaat (flow). Je zult merken dat associëren met enige snelheid makkelijker wordt, omdat het nadenken wordt bemoeilijkt.
Let erop dat je echt op het laatst gehoorde woord associeert, en niet op een woord dat 2 of 3 stations daarvoor genoemd werd.
Gevorderden moeten bij deze oefening proberen om eerder op het "beeld" dan op het "woord" te associëren. Voorbeeld:
- "Brandweer" → "Auto" is een woordassociatie ("brandweerauto" is een begrip)
- "Brandweer" → "Flatgebouw" is een beeldassociatie (de brandweer blust een brandend flatgebouw)
- "Sneeuw" → "O wee" is een woordassociatie (rijm)
- "Sneeuw" → "Yeti" is een beeldassociatie (in de sneeuw staat een yeti)
Varianten
Je associeert eerst alleen in gedachten een woord en associeert daarop weer een ander woord, dat je vervolgens uitspreekt.
Voorbeeld:
A: "Huis"
B: denkt "Sleutel", zegt: "Metaal"
De spelers moeten telkens op twee begrippen associëren.
Iedereen vindt samen een gemeenschappelijk tempo door tegelijk met de vingers boven en daarna onder te knippen. Wanneer iedereen boven knipt, zegt de speler die aan de beurt is een woord, en wanneer iedereen onder knipt zegt dezelfde speler nog een woord dat niets met het eerste te maken heeft. De volgende speler moet — knippend — op beide begrippen associëren.
Voorbeeld:
A zegt terwijl hij onder knipt: "Water", knipt daarna boven en zegt "Zaklopen". Buurman B associeert nu onder knippend "doorzichtig" en boven knippend "kinderfeestje". Enzovoort.
zie ook Associëren; Associatiekring met herhaling