Met klapkring worden verschillende warming-ups en ritme-oefeningen bedoeld, waarbij de spelers in een kring staan en een signaal — meestal een klap — volgens een vast patroon of willekeurig door de kring wordt gestuurd. Er bestaan veel varianten en je kunt gemakkelijk nieuwe bedenken.
Klassieke klapkring
Alle spelers staan in een kring. Eén speler begint en stuurt een klapsignaal naar een willekeurige andere speler. Belangrijk daarbij: altijd oogcontact maken en met je klappende handen duidelijk naar de ontvanger wijzen. Dat is belangrijk zodat het signaal duidelijk overkomt, zeker wanneer het tempo later wordt opgevoerd. De ontvanger stuurt het klapsignaal door naar de volgende speler, enzovoort. Het doel van de oefening is om als groep in een "flow" te komen: iedereen is zeer alert, maar tegelijkertijd ontspannen. Het doorgeven van het signaal gebeurt automatisch, zonder nadenken. Dat de flow bereikt is, merk je aan het feit dat het klappen een gelijkmatig ritme krijgt.
Tip: sta losjes in je heupen (als een cowboy) of veer licht op je plek (als een vechtkunstenaar, altijd klaar om te reageren). Tip 2: vergeet je glimlach en mimiek niet!
Veelgemaakte fouten: veel oefeningen verworden na verloop van tijd tot rituelen, waardoor de eigenlijke bedoeling en het doel verloren gaan. Bij deze oefening worden vaak de volgende fouten gemaakt:
Doorgeven zonder oogcontact: de ontvanger van de klapimpuls wordt niet aangekeken; er wordt gewoon "blind" geklapt. Er moet echter geen automatisme ontstaan, maar juist steeds opnieuw aandacht voor je medespelers. Pas als er (oog)contact is, wordt de klapimpuls doorgegeven. Net zoals je in een scène eerst contact maakt met je medespeler om daarna met hem of haar te interageren, zo bouw je in deze oefening eerst het contact op en laat je daarna pas een actie volgen.
Het tempo te snel opvoeren: vaak wordt het klappen sneller gemaakt terwijl de groep nog geen gemeenschappelijk ritme heeft gevonden. Net zoals spelers in een geslaagde scène een gemeenschappelijk ritme hebben, zo moeten ze dat ook in de klapkring hebben. Pas wanneer dat gezamenlijke ritme is gevonden, kan er met tempo worden gespeeld. Daar is geduld voor nodig, want sommige spellen hebben meer tijd nodig dan andere om het ritme van de groep te voelen en over te nemen. Zolang niet de hele groep het ritme heeft opgepakt, wordt het tempo niet verhoogd.
Varianten
Het klapsignaal gaat niet naar een willekeurige speler, maar loopt de kring rond; iedereen geeft het door aan zijn buurman. Dit is een bruikbare instapvariant. Het risico is wel dat spelers, als ze zijn geweest, "afhaken" en niet constant geconcentreerd blijven (omdat ze pas laat weer aan de beurt zijn).
- Idem, maar bij een dubbele klap wordt de richting gewisseld.
- Idem, maar spelers kunnen ook onder een klap door duiken; het signaal gaat dan naar de volgende die niet is gedoken.
De ontvanger van het klapsignaal moet tegelijk met de gever klappen. Daarna draait hij zich naar een willekeurige medespeler en klapt die toe. Die moet dan ook gelijktijdig klappen. Lukt het niet om tegelijk te klappen, dan wordt het herhaald. Belangrijk is om in een gelijkmatig ritme te komen.
Naast het klappen kun je ook woorden doorsturen (in oplopende moeilijkheidsgraad):
- het woord "Zip!" (uitgesproken als sip).
- een willekeurig klankwoord, zoals "Poef!", "Zap!", "Pling!", "Tsjak!", "Fong!", "Piep!", "Klung!", "Boing!"...
- Zip Zap Zop — deze drie woorden worden cyclisch uitgesproken (met een zachte s: Sib Säb Sob Sib Säb Sob...)
- Zip Zoom Boing — er is een woord voor "linkerbuur", een voor "rechterbuur" en een voor "dwars door de kring".
Knipskring — in plaats van een klap geef je alleen een vingerknip door.
Associatiekring — in plaats van een klap geef je woorden door: de eerste stuurt een woord, elke volgende speler associeert op het woord van zijn voorganger. Vervang hier de klap door een duidelijk wijsgebaar. Voorbeeld: "boom" – "huis" – "deur" – "raam" – "open" – "staan" – "stil" – "zijn" – "hebben" – "niets"... ook hier belangrijk: zoek een ritme en kom in de flow. Niet nadenken; bij associëren bestaat er geen verkeerd woord!
Eénwoordverhaal — als de associatiekring, maar dan vormen de woorden samen een verhaal. Hierbij moet het tempo lager. Het doel is een langzaam, maar zo gelijkmatig mogelijk ritme. Een gezamenlijk klap- of bewegingsritme helpt, waarbij bijvoorbeeld telkens (van vier tellen) op de "1" het volgende woord wordt gezegd.